In gesprek met Ad de Bont, partner en stedenbouwkundige bij Urhahn stedenbouw & strategie, auteur van De Beweegvriendelijke Stad en Buitenkansen.


Waar zijn de ravot landjes gebleven?

De leefomgeving heeft een directe relatie met gezondheid. Begin 2012 kwam vanuit RIVM de vraag waarom ruimtelijk ontwerpers daar zo weinig aan doen. Het onderwerp werd daarmee geagendeerd. De discussie verplaatste zich de afgelopen jaren naar de vraag: hoe dan? Hoe creëren we een leefomgeving die verleidt tot bewegen, sporten? Kortom: een leefomgeving die mensen gezonde alternatieven biedt.

Hoe ziet die ‘verleiding’ er ongeveer uit?

Denk bijvoorbeeld aan grote gebouwen. Als je binnenkomt zie je nog steeds vaak eerst de lift en je moet zoeken naar de trap. Dat wordt bij nieuw- of verbouw gelukkig al vaak omgekeerd. Zo kun je dus ook nadenken over de hele stad. Je kent dit beeld wel: voetbalveld achter hekken en daarbuiten heeft de auto vrij spel. Dat moet anders. Het kan zelfs óók omgekeerd worden. We kunnen de auto natuurlijk niet wegdenken. Maar we kunnen wel verleiden tot bewegen door andere prioriteiten te leggen.

Vraagt dat ook om een duidelijke visie op wonen in de stad?

Ja zeker. Wat vinden we belangrijker? Waar maken we dan dus ruimte voor? Bied ruimte aan de kwetsbare groepen, creëer beweegruimte en maak plekken om te ontmoeten. Dat maakt wonen in de stad aantrekkelijk. Er zijn ook kleine dingen mogelijk. Denk aan een straat (tijdelijk) afsluiten van straten waardoor het een ‘leefstraat’ wordt. Of een schoolplein vergroenen en na schooltijd openhouden, braakliggende terreintjes in de stad koesteren en de bewoners vragen er iets leuks mee te doen. Alle meters worden nu volgebouwd, de stad is immers in trek, dat begrijp ik wel. Maar het is voor de buurt heel gezond om zo’n ravot en avonturen ‘landje’ te hebben. Dus ja; wat vinden we dan belangrijker.

Hoe anders is het in de dorpen?

Daar zie ik ook problemen. Of laat ik zeggen: kansen. Voorzieningen verdwijnen waardoor de autoafhankelijkheid toeneemt en de vereenzaming op de loer ligt. De gemengde dorpen verdwijnen en dat is jammer. Nu kunnen we niet alles zomaar terugdraaien maar we kunnen wel, omdát we dat belangrijk vinden, creatiever zijn. Daarmee bedoel ik: allianties organiseren. Een sporthal kan in de kantine de kroegfunctie overnemen, een benzinestation kan een gezellige ontmoetingsplaats zijn, een supermarkt met een koffiehoek maakt ouderen blij. Een restaurant in een bejaardenhuis kan ook opengesteld worden voor de dorpsbewoners.

Het boek Buitenkansen, en wat een geweldige titel; gaat dat daarover?

Ja, dat gaat over bewegen maar ook over ontmoeten. Bijvoorbeeld; ouderen verleiden om naar buiten te gaan, goed voor hun mentale en fysieke gezondheid én voor hun sociale contacten. Maar zij moeten wel een praktische reden hebben om naar buiten te gaan. Zo kan een supermarkt of winkelcentrum een ontmoetingsplek zijn waar zij samen kunnen koffiedrinken. Buitenkansen geeft tal van voorbeelden hoe we tot initiatieven kunnen komen. Dichtbij de mensen, om de hoek.

Heeft corona hier nog aan bijgedragen?

Corona laat ons het belang van de buitenruimte in de wijk goed zien. Mensen ontdekten de nabije omgeving voor hun beweging, sport en ontspanning. En dan zag je ook nog eens iemand anders dan de caissière in de supermarkt. En omdat het thuiswerken niet zal verdwijnen, net zomin als de noodzaak van gezond leven en bewegen, neemt het belang van gezondheid bevorderende stadsinrichting alleen maar toe. En nogmaals, het gaat over inrichting én over activiteiten organiseren en samenwerken daarin. Natuurlijk moeten die activiteiten dan ook wel fysiek de ruimte krijgen.

Hoe ziet een droomproject voor jou eruit?

Daar kan ik er vele van noemen. Maar de eerste die nu naar boven komt is de ontwikkeling van een wijk in Deventer, De Tuinen van Zandweerd, 100% autovrij. De mensen wonen dan niet aan een straat maar aan een tuinpad met ruimte voor biodiversiteit, bewegen, sociaal contact en kinderen kunnen zandkastelen voor de deur kunnen bouwen. Mijn ambitie is dat we in het algemeen de auto een minder prominente plek geven. Dat we de straat meer gaan afstemmen op de beweging van mensen en minder op de beweging van auto’s.

En wat kunnen wij als zorgprofessionals doen?

Zorg in de wijk is een belangrijke pijler. Die vindt niet alleen plaats achter ‘praktijkdeuren’ of thuis, maar ook op straat. Hoe bereik je hen die het écht nodig hebben? Dat vind ik een spannende vraag. Huisartsen zitten in de haarvaten van de wijk. Daarmee zeg ik niet dat zij bootcamps moeten organiseren. De werkdruk van huisartsen laat weinig ruimte meer over. Maar zij kunnen wel patiënten stimuleren en verwijzen. Daarvoor moeten huisartsen, en ook andere zorgverleners in de wijk, op zijn minst weten wat er in de buurt gebeurt en kunnen ze samenwerken met – vaak jonge- initiatiefnemers in de buurt. In het algemeen verdient de zorg als sector, met al haar vertegenwoordigers, een actieve advies- en expertise rol in de vormgeving van onze leefomgeving. Stap naar de gemeente, de GGD, werk samen goede ideeën uit, schuif aan als er plannen gemaakt worden of als je ziet dat er een verbeterkans is in de wijk.

Waar kunnen zorgprofessionals met ideeën nu naartoe?

Helaas bestaat er geen plek of organisatie die zich landelijk of regionaal hiermee bezighoudt en waar zorgprofessionals samenkomen en ideeën inbrengen. Daarom zou ik graag de lezers van dit magazine willen vragen of zij mij willen mailen als zij vragen of ideeën hebben. En wie weet kunnen we samen mooie stappen zetten.

Ad de Bont is stedenbouwkundige bij Urhahn en is expert op het thema Gezonde Stad. Ad is auteur van de publicaties De Beweegvriendelijke Stad en Buitenkansen voor een uitnodigende buitenruimte. Beide boeken gaan over het beweegvriendelijker, gezonder en aantrekkelijker maken van onze leefomgeving. Ad is medeoprichter van het Platform Gezond Ontwerp dat kennis bundelt over het gezond ontwerp en inrichten van de leefomgeving en adviseert stadsmakers en gemeenten regelmatig over dit onderwerp.

ad@urhahn.com | Ad op Linkedin

Deel dit artikel

Fotograaf Tai Chi in het park: Imre Casny Overige foto's: Jacqueline van de Boom